Op zondagavond kijken mijn vrouw en ik met veel plezier naar ‘Rust en Vreugd’. Een vermakelijke televisieserie over een groep mensen met een volkstuin, waar zij niet alleen naar hartenlust tuinieren, maar samen ook in allerlei verwikkelingen belanden.
Die toestanden hebben vooral te maken met de vereniging ‘Rust en Vreugd’ die de tuinen exploiteert. Er is een kantine, een opslag met gezamenlijk gereedschap, en er zijn statuten met allerlei regels waaraan iedereen zich moet houden.
De vereniging heeft een bestuur dat alle touwtjes strak in handen houdt. Het bepaalt aan welke regels tuinhuisjes en bloemenkasjes moeten voldoen, wie er een tuin krijgt toegewezen en wie de tuin af moet. Machts- en vriendjespolitiek zijn daarbij strijk en zet.
De ‘gewone leden’ komen daartegen in opstand, en daar wordt het leuk. Bestuursleden ontpoppen zich tot ware dwingelanden, en vriendelijke dames groeien uit tot slimme rebellen. U begrijpt, de rust en de vreugde op de volkstuin is ver te zoeken. Gelukkig is het allemaal verzonnen.
Maar op maandagmorgen lees ik de Leeuwarder Courant over de verwikkelingen bij volkstuinvereniging ‘Ons Genot’ in een Fries dorp. Welk dorp doet er niet toe, het zou overal in onze provincie kunnen zijn.
Veel van wat ik in de serie zie, lees ik de volgende dag in de krant. Problemen over bloemenkasjes, een bestuur dat volgens de leden te veel naar zich toetrekt, en leden die er volgens het bestuur een potje van maken. ‘Rust en Vreugd’ en ‘Ons Genot’ lijken op elkaar.
Er is één verschil. Op televisie bestaat het bestuur voornamelijk uit boosaardige dictators en zijn de opstandelingen vooral aardige helden. In de krant bestaan beide groepen uit mensen van goede wil. Alleen zijn ze in conflict gekomen en elkaar onderweg kwijtgeraakt.
Bij goede verhoudingen worden de dingen meestal ten goede uitgelegd, ook de dingen die mis zijn gegaan. Wanneer verhoudingen zijn verstoord worden zelfs goedbedoelde daden en woorden ten kwade ervaren en worden dan zomaar nieuwe splijtzwammen.
Dit soort strubbelingen komen overal tussen mensen voor. In partijen, verenigingen, families, organisaties en gemeenschappen. Ook in kerkelijke gemeenschappen helaas. Veertig jaar kerkenwerk hebben mij geleerd dat gelovigen heel gewone mensen zijn.
In de kerk zijn wij niet beter dan de anderen, misschien zouden wij wel beter kunnen weten. Van jongs af aan is ons daar geleerd over onze fouten en zonden na te denken. Je mag verwachten dat gelovigen wat meer vooraan hebben gestaan toen de lieve Heer het zelfinzicht uitdeelde. ‘Wat ziet u de splinter in het oog van de ander, en merkt u de balk in eigen oog niet op!’
En zeker in de kerk zouden we ons minder kunnen laten leiden door boosheid. Boosheid richt veel schade aan tussen mensen, in het klein en in het groot. Niet voor niets behoort ‘toorn’ tot de zeven hoofdzonden.
Daarentegen hoort mildheid tot de grote christelijke deugden. En barmhartigheid ook. Het zou mooi zijn als gelovigen die deugden makkelijker zouden vinden. Juist wanneer zij in conflicten verzeild raken.
Dat zou voor meer rust en vreugde zorgen, en helpen van genade te leven.