Doorgaan naar hoofdinhoud

Sylvia Erschen (85): "Ik voelde me jarenlang een Hollands meisje met een bruin velletje"

Archiefstukken bieden inzicht in de geschiedenis van de repatriëring uit voormalig Nederlands-Indië. Om die geschiedenis een persoonlijk gezicht te geven, spraken we met Sylvia Erschen (85) over de ervaringen van haar familie en de herinneringen die zijn gebleven.

“De eerste nacht in Nederland was vreselijk, we hebben alleen maar liggen huilen. Het was ontzettend koud en we wilden terug naar opa en oma. We misten die grote, warme familie van mijn moeder in Nederlands-Indië”, zo herinnert Sylvia Erschen (85) zich de repatriëring in 1950. Haar vader was KNIL-militair* en het gezin, waaronder de 9-jarige Sylvia, kwam na een wekenlange bootreis aan in ons land. 

In haar zonnige Haagse appartement, omringd door kunst, laat Sylvia een uittreksel van het toenmalige Departement van Oorlog zien. “Hier staat dat mijn vader op 5 oktober 1950 met de Skaugum naar Nederland vertrok”, vertelt ze. Op het schip sliep het gezin in een grote ruimte met veldbedden en hangmatten. “Ik trok me vaak terug tussen de sloepen en voerde gesprekken met de vissen, of ik speelde met mijn zus en broertje.” Op 28 oktober kwam het gezin aan in Nederland. “We liepen de loopplank af en een heel regiment mensen wachtte ons op en gaf instructies. We kregen ook een sterappel. Ik poetste die als een gek, omdat ik dacht dat er sterretjes in zaten. Ik durfde ‘m daarom niet op te eten.”

Zware laarzen  

Ruim 300.000 Indische Nederlanders kwamen tussen 1945 en 1968 naar Nederland. Deze migratie staat bekend als repatriëring, hoewel veel repatrianten nooit eerder in Nederland waren geweest. Onder hen waren ook KNIL-militairen en hun gezinnen. “Mijn vader was sergeant-majoor en vocht in 1942 tegen de Japanners in de Slag om Tarakan. Hij werd geïnterneerd en we wisten lang niet of hij nog leefde. Mijn moeder ging met ons naar haar ouderlijk huis in Bandoeng. Daar voelde ik me veilig. In Nederland kreeg ik later terugkerende dromen waarin ik achter een walletje op de grond lag en zware laarzen voorbijkwamen. Wij werden zelf niet opgesloten in een kamp, omdat mijn moeder kon aantonen dat haar voorouders Indonesisch waren: Javaans en Moluks.” 

Petroleumkacheltje  

“Na de overtocht werden we in bussen gezet en naar de Veluwe gebracht. Wij kwamen in een huisje, niet groter dan deze voorkamer, met twee slaapkamertjes en een wc buiten. Maar we hadden een huisje en hoefden niet in een tent. Met andere repatrianten moesten we elke dag ontbijten. Zelf koken mocht niet. Mijn vader bleef hongerig; de aardappels voedden niet. Mijn moeder trok zich niets aan van het kookverbod en kookte rijst op een petroleumkacheltje. Aan alle kanten werd op repatrianten bezuinigd. Het plakje kaas was bijvoorbeeld tot op de millimeter afgeschaafd. Het is nog steeds schrikken hoe de overheid met haar burgers is omgegaan. Mijn ouders kregen een toelage, maar ze moesten wel alles tot op de laatste cent terugbetalen, inclusief onze overtocht en verblijf.” 

Enthousiaste dominee  

“Ik weet niet goed of de kerk in het opvangkamp voor ons klaarstond, maar toen we in Arnhem-Zuid kwamen wonen, was er wel een enthousiaste predikant, ds. Vinkenborg. Sommige Indische mensen waren getraumatiseerd; ook mijn vader bleek door zijn ervaringen in het Jappenkamp PTSS te hebben. Die dominee deed zijn best om ons goed op te vangen en kwam geregeld langs om met mijn ouders te praten. Het contact met kerkleden was minder goed; je zag ze niet. Mijn moeder zat eens in de kerk naast een vrouw die geen zangboekje bij zich had, en liet haar meezingen. De volgende dag negeerde die vrouw haar bij de kruidenier. Niettemin waren mijn ouders zeer gelovig en de dominee wilde hen betrokken houden bij de kerk. Hij vroeg of ze een schakel wilden zijn tussen de Indisch/Molukse en Nederlandse gemeenschap, maar dat wilden ze niet. Wel kwamen oud-Molukkers en de Nederlandse jongens die onder mijn vader hadden gediend, vaak bij ons eten; dan haalden ze herinneringen op. Hij wilde er voor hen zijn.”  

Buurtgenoten 

Waar het contact met kerkleden stroef was, groeide de band met de buurt, herinnert Sylvia zich. “De buurt moest eerst wel aan ons wennen, en er waren ook vooroordelen. Eens, op een zonnige ochtend, zaten we in de vensterbank, en prompt lag er de volgende dag een brief op de mat van de huisbaas waarin hij uitlegde hoe je een huis moest binnenkomen: via de voordeur en niet via het raam. Uiteindelijk stal mijn moeder de harten van omwonenden. Als de buren in ons kleine tuintje kwamen zitten, maakte ze eten voor hen. De buurt stond ook om ons heen toen mijn vader ziek werd en in 1960 overleed.”  

Twee werelden 

“Hoe ik mezelf zie? Ik ben een product van twee werelden. Ik heb me jarenlang een Hollands meisje met een bruin velletje gevoeld. Ik trouwde met een Hollander en samen kregen we vijf kinderen. Mijn zoon is bij zijn geboorte gestorven. Maar het besef dat ik uit Indonesië kom en dat mijn geboortegrond daar ligt, is gebleven. Ik verlang er niet expliciet naar terug. Ik ben dankbaar dat ik kennis heb mogen maken met het westerse denken: het rationele en het weten waar je aan toe bent. Maar ik voel me meer thuis bij het oosterse denken: het heeft een andere diepgang, de verbeelding, de bloemrijkheid van de taal, de verwondering en de verbondenheid met natuur.” 

Genade en cadeau

“Nu ik ouder ben, besef ik pas ten volle hoe belangrijk mijn moeder is geweest om ons gezin overeind te houden. Ze heeft ons er echt doorheen gesleept. Ik zie het als genade en als een cadeau dat ik me altijd veilig heb gevoeld in de schoot van mijn familie. Die geborgenheid heeft me door een lange periode van crises heen geleid: de Japanse bezetting, de revolutie in Indonesië, de repatriëring, het wennen hier in Nederland, mijn echtscheiding. Dit gaf mij zelfvertrouwen en moed.” 

*het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger dat van 1814 tot 1950 in Nederlands-Indië actief was

Dit verhaal geeft een persoonlijk perspectief op de geschiedenis van de repatriëring van mensen uit voormalig Nederlands-Indië. Een deel van het archief van het Centraal Comité van Kerkelijk en Particulier Initiatief voor Sociale Zorg ten behoeve van gerepatrieerden, kortweg het CCKP, is sinds eind augustus 2026 digitaal toegankelijk. Lees meer: 

Ben je al magazine-abonnee?

Abonneer je nu op het inspiratiemagazine van de Protestantse Kerk

Meld je aan

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)