Doorgaan naar hoofdinhoud

Marja (73): 'Ik wilde geven, maar kwam zelf rijker terug'

Als kind wilde ze al ver weg om de ‘arme mensen’ te helpen. Maar zelf kwam Marja Vos (73) juist rijker terug dan ze ging. In Pakistan en Afghanistan leerde ze in verbinding te leven met mensen uit een heel andere cultuur.

“Kijk, dit is een kleine uitvoering van een rookvrije oven.” Marja Vos glimlacht bij de herinnering aan een vorig leven in de Pakistaanse woestijn. “In Mithi hebben we veel van dit soort houtbesparende oventjes gebouwd, want in de woestijn is amper hout. Ze liepen als een trein.” 

Dertien jaar woonde ze in Pakistan en drie in Afghanistan. Ze leidde er een totaal ander leven dan in haar jeugd in Drenthe – en tegelijkertijd ook niet. “Ik ben een eenvoudig boerenmeisje, de dorpscultuur paste goed bij me. Tot mijn 18e woonde ik tussen Hoogeveen en Hollandscheveld op een gemengde boerderij. Ik was de middelste van zeven kinderen en groeide op in vrijheid. Elke zaterdag liepen we met een zendingsbusje door de buurt. Zo leerden we om verder te kijken dan ons eigen leventje.” 

‘Als kind leerde ik al om verder te kijken dan mijn eigen leventje 

Lang wachten 

Ze wilde toen al “arme mensen helpen”, maar daar ging een hele rij opleidingen en banen aan vooraf: een baan als stenotypiste, een verpleegkundigenopleiding, werken op een kibboets in Israël, aan de slag in het diaconessenhuis in Naarden, een vroedvrouwenopleiding in Londen, een opleiding voor wijkverpleegkundige, en een baan in het Prinsengrachtziekenhuis in Amsterdam. 

Na haar sollicitatie bij het Dienstencentrum van de Gereformeerde Kerk in Leusden en de zendingsopleiding in Oegstgeest leek het eindelijk zover te zijn. “Een vacature voor een verpleegkundige-verloskundige in Zuidoost-Pakistan paste precies bij mij. Een Pakistaans-Engels echtpaar runde daar een prachtig project voor landbouw en gezondheidszorg.” Maar het visum liet lang op zich wachten. Ondertussen ging Marja aan de slag als wijkverpleegkundige en volgde ze een tropenopleiding. 

Iedereen welkom 

“Pas in de zomer van 1981 kon ik naar Pakistan. Het was er heet en vochtig. De eerste negen maanden ging ik naar een christelijke taalschool in het noorden om Urdu te leren, de taal die de meeste Pakistani spreken. 

‘Ik heb nu vrienden in allerlei landen’ 

Daarna begon ik in Rattanabad. Ik werkte in de kliniek en deed soms een bevalling. De kliniek werd geleid door christenen, maar iedereen was welkom. Op vrijdag gaven we gezondheidsvoorlichting in de dorpen en elke maandag werkte ik in een tuberculosekliniek. Er waren dagen dat we wel zestig mensen zagen. 

We begonnen ook met een vroedvrouwenopleiding, want het ging er soms primitief aan toe. Dan sneden ze de navelstreng door met de sikkel om het land te bewerken. We leerden lokale vrouwen ook bij welke complicaties ze een zwangere vrouw naar het ziekenhuis in de stad moesten sturen.” 

Thuis voelen 

“Ik voelde me thuis in de cultuur. In de dorpen kenden we elkaar. De mensen waren hartelijk, ik kreeg zelfs een familienaam: voor oudere mannen was ik ‘dochter’, voor jongere mannen ‘oudere zus’. In het gebied woonden vooral moslims en hindoes, een paar families waren tot het christendom bekeerd. Elke zondag zaten we met zo’n twaalf tot vijftien gezinnen in een klein, lemen kerkje.  

Ik was uitgezonden door de gemeente van Buiten-Amstel Centrum. De gemeenteleden schreven me brieven, typten mijn rondzendbrieven uit en baden voor het werk. Hun betrokkenheid is altijd erg belangrijk voor me geweest.” 

“Ik heb ook tweeënhalf jaar op de compound van een ziekenhuis gewoond. Ik werkte in het ziekenhuis en startte daarnaast in twee dorpen het dorpsgezondheidswerk. Maar ik miste het dorpsleven. Toen ik aan de slag kon in Mithi zag ik dat als leiding van God. Ik kon in veertien dorpen gezondheidswerk en een ziektekostensysteem opzetten. Daar hadden we ook het project met de oventjes en een boombeschermingsprogramma.” 

Op wacht 

“Vanaf 1994 heb ik jaren in Nederland gewoond en gewerkt. Maar in 2005 wilde ik weer in het buitenland aan de slag. Via Kerk in Actie en ICCO ben ik vanuit De Ark in Maarssenbroek uitgezonden naar Afghanistan. Ik kwam in dienst bij een grote internationale organisatie. De eerste maanden woonde ik in Kaboel om de taal te leren, daarna ging ik naar Lal wa Sar Jangal, een dorp en district in het bergland van Hazarajat. We hadden een ziekenhuis met 21 bedden en basisgezondheidswerk in het district. Mijn taak was om meer gezondheidswerkers op te leiden. Het was heerlijk om weer in een dorp te wonen. De mensen waren hartelijk. 

In Afghanistan zijn geen kerken. In Kaboel kwamen christenen van buitenlandse organisaties voor de kerkdienst samen in een woonhuis. Vanwege de veiligheid hield iemand de wacht bij de poort. Ook in het dorp kerkten we als buitenlandse medewerkers in een huiskamer. 

Op het juiste moment ontmoette ik de juiste mensen 

Als Afghanen christen werden, hielden ze dat verborgen. Ze kwamen hooguit met z’n tweeën bij elkaar. Als bekend zou worden dat ze christen waren, was de kans groot dat hun familie hen zou verstoten. 

In 2009, na de economische recessie, liep de financiële steun terug. Op verzoek van de Afghaanse overheid hebben we het project toen overgedragen aan een lokale organisatie.” 

Dankbaar 

“In het begin wilde ik naar arme landen om mensen te helpen. Maar ik kwam er zélf juist rijk vandaan door al die contacten en culturen. Ik heb nu vrienden in allerlei landen en ik ben ontzettend dankbaar. Ik heb de leiding van God gevoeld: op het juiste moment ontmoette ik de juiste mensen.” 

Ben je al gratis Petrus-abonnee?

Abonneer je gratis op het inspiratiemagazine van de Protestantse Kerk

Lees meer

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)