Doorgaan naar hoofdinhoud

Eli Veenkamp-Kansil (85): “Indonesië is altijd in mijn gedachten”

Archiefstukken maken zichtbaar hoe de repatriëring uit voormalig Nederlands-Indië werd georganiseerd. Maar hoe werd deze periode beleefd door de mensen zelf? Om die geschiedenis een persoonlijke stem te geven, spraken we met Eli Veenkamp-Kansil.

“Mijn eerste kennismaking met Nederland was koud. Het was december 1950. Samen met mijn ouders en broertje Tim werd ik naar Nederland verscheept. We waren op de vlucht; mijn vader was legerpredikant geweest bij het KNIL en het was te gevaarlijk geworden om in Indonesië te blijven. Voor mijn moeder was het vertrek hartverscheurend; ze heeft geen afscheid kunnen nemen van haar familie en haar hele leven heimwee gehad. Ik was bijna 9 jaar. Voor mij voelde het als een opluchting om weg te gaan van een plek waar het niet meer veilig was. Ik kon al lange tijd niet naar school omdat er op de school geschoten was.  

Pension

De overtocht met de Empire Brent duurde vijf weken. Mijn moeder was de hele reis zeeziek, terwijl mijn vader voortdurend bezig was met zijn werk als scheepspredikant. Gelukkig ontfermde een oom zich over ons, de man van de oudste zus van mijn moeder. Hij was officier in het KNIL en had ook moeten vluchten. 

Bij aankomst in Rotterdam bleek pas goed hoe koud Nederland was, we stonden te rillen op de kade. Met een bus werden we naar Zeist gebracht waar de Dienst Maatschappelijke Zorg ons opving. Een maatschappelijk werkster nam ons mee om warme kleding te kopen en hield ook in de gaten of we goed aten.  

We kwamen terecht in een pension, waar we met ons vieren één kamer moesten delen. Na twee jaar verhuisden we naar een pension in Bilthoven. Maar ik zat in Zeist op school en moest als de bus niet aansloot regelmatig op de fiets. Dat was een hele tocht.  

Eigenlijk hoorde ik in de 5e klas, maar doordat ik zo lang niet naar school was geweest kwam ik in de 3e terecht. Klas 3 en 4 waren gecombineerd, en ik mocht na dat jaar gelukkig doorstromen naar de 5e klas.  

Van racisme heb ik weinig last gehad. Ik had vriendinnen en voelde me op school redelijk geaccepteerd. Ik ben daarbuiten weleens uitgescholden voor ‘Inda, pinda, poepchinees’ of er vroegen kinderen of ik hun veters wilde strikken. Dat heb ik niet gedaan. 

Aan het Nederlandse eten moesten we erg wennen. Zuurkool bijvoorbeeld vonden we verschrikkelijk, ik lust het nog steeds niet. Mijn ouders ontdekten al snel een Chinees restaurant in Utrecht, daar moest ik soms naartoe om eten te halen. 

Al met al heb ik me lange tijd niet erg thuis gevoeld in Nederland. Dat veranderde enigszins toen mijn vader in 1953 werd beroepen als hulppredikant in Soesterberg. Via de Dienst Maatschappelijke Zorg kregen we een huis toegewezen. Later werd mijn vader predikant in Tull en 't Waal en betrokken we de pastorie. Daar heb ik nog geruime tijd met mijn ouders gewoond. Na de mulo en de hbs in Utrecht ging ik politicologie studeren aan de VU in Amsterdam. Aan de VU ontmoette ik Theo Veenkamp. We trouwden en kregen twee kinderen: Ivo en Cathelijne. 

Verlangen naar Indonesië

Er is altijd een verlangen naar Indonesië gebleven. In 1978 kreeg Theo een baan aangeboden aan de universiteit van Yogyakarta en hebben we daar als gezin vier jaar gewoond. Weer terug in Nederland vond ik het weer moeilijk om te wennen. We zijn later nog een paar keer terug geweest. Toen Theo en ik 50 jaar getrouwd waren, hebben we dat met de familie gevierd in Indonesië. Dat was fantastisch.  

Mijn vader heeft uiteindelijk een goed leven gehad in Nederland. Hij had niets toen hij hier aankwam, maar hij heeft een goed bestaan weten op te bouwen. Na Tull en ‘t Waal werd hij nog predikant in Wanswerd, Oranjewoud en IJzendoorn. Voor mijn moeder was dat moeilijker. Ze bleef een zwakke gezondheid houden en is niet oud geworden. 

Als ik terugkijk, zie ik een leven waarin afscheid nemen en ergens opnieuw moeten aarden terugkerende thema's zijn. Ik ben meerdere keren depressief geweest. Na mijn 70e kwam ik onder behandeling van Centrum ‘45, voor mensen met oorlogstrauma’s. Dat heeft me enorm geholpen. Ook het schrijven van een boek over mijn leven heeft daaraan bijgedragen. Journalist Thijs Broer heeft mij daarvoor geïnterviewd en mijn verhaal opgetekend. 

Veel dierbaren zijn inmiddels overleden, ook mijn lieve Theo. Maar mijn naaste familie draagt me door het leven. Indonesië zal ik niet meer zien, maar in mijn gedachten ben ik er elke dag.”  

*het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger dat van 1814 tot 1950 in Nederlands-Indië actief was 

Dit verhaal geeft een persoonlijk perspectief op de geschiedenis van de repatriëring van mensen uit voormalig Nederlands-Indië. Een deel van het archief van het Centraal Comité van Kerkelijk en Particulier Initiatief voor Sociale Zorg ten behoeve van gerepatrieerden, kortweg het CCKP, is sinds eind augustus 2026 deels digitaal toegankelijk. Lees meer:

Ben jij al magazine-abonnee?

Abonneer je nu en ontvang het magazine 4x per jaar in je brievenbus

Abonneer je hier

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)