We hebben wat meegemaakt de afgelopen weken: een hittekoepel die boven Nederland hing. Een superhittegolf in het zuiden van het land. En als kers op de taart: hete nachten. Letterlijk dan. Van die zweterige, plakkerige nachten, waarbij je je ’s ochtends afvraagt of je überhaupt wel geslapen hebt. Een blik in de spiegel zegt genoeg.
Het roer om
Tijdens al dat wakker liggen, draaien mijn gedachten in het rond. Wanneer gooien we het roer nu eens om? We kunnen toch niet blijven dansen op een vulkaan of argeloos denken: ‘Na ons de zondvloed.’ Zo dom zijn we toch niet? Ik begrijp niet waarom we als mensheid niet in staat zijn om ons gedrag aan te passen. Ik begrijp niet dat we zo rustig kunnen zijn onder deze suïcide op wereldschaal. ‘Kom, laten we eten, drinken en vrolijk zijn’, is de overheersende stem in de kakofonie van stemmen die dagelijks tot ons komt. Zie daar maar eens bovenuit te komen.
Niet onschuldig
En deze hitte? Bracht het ons tot inkeer? Als ik de krantenkoppen moet geloven niet echt. ‘Vraag naar airconditioners in korte tijd verviervoudigd na snikheet weekend.’ Verviervoudigd! We kiezen voor symptoombestrijding in plaats van ommekeer. Alsof zo’n airco een onschuldig, wonderlijk apparaat is dat alleen maar geeft. Alsof zo’n ding niet juist bijdraagt aan de opwarming van de aarde. We halen onze schouders op. Ach ja, zetten we hem toch gewoon een graadje kouder?
Gebed om verlossing
Is dit nu de weg, vraag ik mezelf af. Om het onszelf maar gerieflijk te maken, terwijl de schepping zucht en lijdt? Letterlijk met deze temperaturen. Ik zie de hond hijgen en puffen. De koeien die opeengestapeld in het streepje schaduw staan. Het verse groen dat uitgeput de kop laat hangen. Het enige wat mij rest is mee te zuchten. En te puffen. En te zweten. Elke zucht, elke puf en elke zweetdruppel wordt een gebed om verlossing.