Wat staat ’ie er mooi bij, mijn tuintje. Links een fijn schaduwbordertje met Kaukasische vergeet-mij-niet, monnikskap en veldbies, rechts een kruidentuin met lavendel, salvia en citroenverbena (zo lekker in de thee!). Daartussen een postzegel gazon.
Dat dit er nu zo ‘netjes’ bij ligt, heeft een geschiedenis. Want het is van den beginne niet zo geweest. Echtgenoot-ecoloog is van het evangelie ‘onkruid bestaat niet’. Alles mag groeien en bloeien bij ons, juist omdat veel mensen om ons heen veel te graag maaien, spuiten en snoeien. En dus zijn wij een soort azc voor alles wat adem heeft en elders geen adem meer krijgt.
Tuin en erf: zijn en doen
Da’s nie netjes, eej! Da’s oal vuulte (onkruid)! Menig dorpsbewoner zal dat op z’n Zeeuws gedacht hebben bij het passeren van onze ‘tuin’. Heel lang weerstond ik de blikken en onuitgesproken kritiek, maar ondertussen groeide een verlangen, al kon ik deze niet goed onder woorden brengen. Ja, ik hou van alles wat leeft, maar ik wil ook rust aan m’n ogen, harmonie, schoonheid en gewoon een stukje begaanbaar gazon om te kunnen zitten en een boek te lezen.
Tijdens de discussies met echtgenoot vermeed ik de woorden ‘netjes’ en ‘onkruid’ zo veel mogelijk, maar toch werden we het niet eens. Tot mijn man ineens uitriep: “Ja, weet je, jij wil een tuin, ik wil een erf!”
Dat was het! Een tuin is ontspanning, rust, mooi, harmonie, kortom: zijn. Een erf is bezig, klussen, scheppen, kortom: doen. Ineens wist ik wat het compromis moest zijn: hij het stuk naast het huis, met de schuur, de droogmolen, het bijenhotel, de mini-boomkwekerij en het varen-asiel. Ik een ‘nette’ tuin bij wat wij de voordeur noemen, maar die ook achterdeur is.
Verdacht
Met een hovenier-vriendin maakte ik een ontwerp. Huurde iemand in die met een kraantje wat grondverzet deed. Voelde me enorm bezwaard toen hij z’n laadschep in de wilde bloemenzee zette. En kocht planten in, jawel, een tuincentrum. Biologisch, inheems, vlinder- bij- en insectvriendelijk, want ik weet echt wel hoe het hoort.
Toen het af was en ik het geheel overzag, wist ik niet hoe ik het had: het was te netjes, te tuincentrum, te gazonnerig ... En dat dorpsgenoten ons nu ineens complimenten gingen geven was al helemaal verdacht. “Wacht maar!”, riep echtgenoot vanaf zijn erf, “straks als alles lekker gegroeid is, is het een heel mooi, inheems bijentuintje!” En inderdaad, nu het allemaal net ietsje meer ‘verwilderd’ is en er van alles zoemt en vlindert, geniet ik enorm. Van de rust, de orde, de harmonie, het klinkerstraatje zonder vuulte, het groene grasmatje waarin m’n stoel rechtop blijft staan.
Laat het genoeg zijn
Mensen en tuinen, ik kan me erover blijven verwonderen. Wij, die geschapen zijn naar Gods beeld, mogen creëren en recreëren. Scheppen betekent ordenen, dus dat ik mij thuis voel in een ordentelijke tuin is niet zo gek. Maar aan de andere kant moet de wildernis er ook mogen zijn. Daar hebben we al te veel onze klauwen in gezet, nog elke minuut verdwijnen er tien voetbalvelden regenwoud.
Iemand wees mij op Psalm 104, waarin soorten worden genoemd die inmiddels bijna of helemaal uitgestorven zijn: de ceders van de Libanon, de klipdas, de wilde ezel. Ze zijn er niet of nauwelijks meer. En ook elders in de Bijbel komen namen van dieren, vogels en planten voor die er niet meer zijn. Alles wat adem heeft zou de Heer mogen loven ... Het liefst ook in onze tuinen.
Een postzegel gazon, een bordertje onbespoten tuincentrum: laat het genoeg zijn.