Hoe kun je nu aan bloemen denken? De wereld staat in brand. Duizenden levens zijn verwoest. Steden platgebombardeerd. Miljoenen mensen op de vlucht. Gelukkig is het thema van de avond ‘omgaan met weerstand’. Nou, die voel ik genoeg.
Een andere werkelijkheid
De meimaand is begonnen. De lente is niet meer van de lucht. De sering geurt al. En de jasmijn staat op openbarsten. Die bloem doet me aan Etty Hillesum denken. In de meidagen herlees ik altijd delen uit haar dagboek Het verstoorde leven.
De joodse Hillesum werd in september 1943 met haar familie op transport gezet en op 30 november 1943 vermoord in Auschwitz. Ook haar ouders en broers overleefden de oorlog niet.
Etty is dol op bloemen, ze schrijft er regelmatig over. Voor haar zijn ze in de waanzinnige en wrede tijd waarin zij leeft getuige van een andere werkelijkheid.
Dat roept onbegrip op. “Hoe kun je nu nog aan bloemen denken?”, wordt haar verwijtend voor de voeten geworpen.
Witte jasmijn
Bloemen staan symbool voor schoonheid. Maar bloemen verwelken en spreken ook de taal van vergankelijkheid. Etty verbindt ze met eeuwigheid. Een geur van troost die de stank van dood en deportaties verdrijft. Soms, als ze niet te veel verstrikt zit in de doornen van zorgen, kan een bloem tot haar spreken. Ze ervaart dan – ondanks de wreedheden en waanzin van de oorlog – iets van een groter geheel. Zo wordt haar aandacht getrokken naar de witte jasmijn die zij vanuit het raam van haar Amsterdamse woning ongegeneerd ziet bloeien.

Op 1 juli 1942 schrijft ze:
Hoe is het toch mogelijk mijn God, hij staat daar ingeklemd tussen de verveloze muur van de achterburen en de garage. Tussen dat grauw en dat modderige donker is hij zó stralend, zo ongerept, zo uitbundig en zo teer, een overmoedige jonge bruid, verdwaald in een achterbuurt. Ik begrijp niets van die jasmijn. Dat hoef ik ook niet te begrijpen. Men kan nog best in deze twintigste eeuw in wonderen geloven. Dit is een wonder. En ik geloof in God, ook als de luizen me binnenkort opvreten in Polen. (105)
Innerlijke kracht
De taal die de jasmijn spreekt, roept een innerlijke kracht in haar wakker. Het maakt haar sterk genoeg om haar eigen kleinheid en verdriet te dragen. En dat van anderen. Met een taal voorbij de woorden. Men moet weer zo eenvoudig en woordeloos worden als het koren dat groeit, of de regen die valt. Men moet alleen maar zijn. (125)
Op 22 september 1942 schrijft ze:
Ik wil wel zo graag leven als de leliën des velds. Als men deze tijd goed begreep, zou men het van haar kunnen leren: te leven als een lelie des velds. (161)
Kiezen voor tegengif
Op 4 mei leggen we weer bloemen en kransen bij monumenten. We zijn stil en noemen de namen van hen die vielen in de oorlog. Mensen broos en weerloos als bloemen. Weerbaar als de indringende geur van jasmijn. Daar mijmer ik over als ik nadenk over de vraag van onze groene werkgroep. Gifvrije bloemen. Dat heeft niks te maken met een romantische blik op onbezorgd leven. Het is midden in de wereld staan met zijn gif van vernieling van de schepping en van oorlogswaan. Het is kiezen voor tegengif in verwarrende tijden.
“Hoe kun je nu aan bloemen denken?”
Juist nu!
Lees verder over Etty Hillesum:

