Koning David, Daniël, Mozes, Elia ... Het zijn niet de minste namen. Allemaal vasten ze een bepaalde periode om Gods hulp te zoeken. En Jezus laat zijn voedsel staan als Hij zich terugtrekt in de woestijn, ter voorbereiding op zijn werk onder de mensen.
Ook in de vroege kerk wordt gevast. Op vaste dagen (woensdag en vrijdag) onthouden gelovigen zich van voedsel, net als in de aanloop naar Pasen. In de middeleeuwen ontstaan bededagen en kruisdagen: aan het einde van elk seizoen en in tijden van nood draait het een dag lang om bezinning, gebed, vasten en boetedoening.
Reformatie
Protestanten nemen het gebruik van deze dagen na de Reformatie over. Daarvan kennen we nu nog Biddag en Dankdag. Maar het vasten op terugkerende dagen en richting Pasen raakt in onbruik. De protestanten verzetten zich tegen uiterlijke vormen van vroomheid. Calvijn en Luther wijzen vasten niet af, maar het mag geen verplichting zijn. De lijdenstijd draait vooral om bezinning.
Afgestofte traditie
Sinds een paar decennia hebben protestanten het vasten op weg naar Pasen weer afgestoft. Dat heeft met twee dingen te maken. Allereerst met veranderingen in cultuur. Veel mensen zijn bezig met diëten of het loskomen van bepaalde gewoontes. Dat maakt ook het vasten in de Veertigdagentijd ‘gewoner’. Ten tweede is de huidige kijk op geloof veranderd. Er is meer aandacht voor het lichamelijke aspect, en vasten past daarbij.
Lees verder:

