Hilbrand Rozema trekt al een kwarteeuw met het openbaar vervoer kriskras door Nederland. Hij zoekt naar schoonheid in het alledaagse, bij bijzonder gewone mensen en hun verhalen. Op de terugreis schrijft hij zijn column. Tachtig ervan zijn gebundeld in Tijd is een leeuwerik.
“Ik ben altijd geïnteresseerd in de geschiedenis van een plek. Een oudoom van mij is in de oorlog omgekomen. Hij zat een paar weken in kamp Amersfoort. Op weg naar de trein die hem wegvoerde moet hij hierlangs gekomen zijn.”

Geworteld zijn
“Op 11 november, de dag van het sint-maartensfeest, was ik in Noordhorn in Groningen. Zo’n evenement is heel belangrijk voor het dorp. Je proeft er iets van het goede leven, van lotsgemeenschap. Iedereen groet elkaar. Zo klein als Nederland is, zo groot zijn de regionale verschillen. Veel mensen zijn vervreemd van Den Haag. Ze voelen zich niet gezien.
Het positieve van geworteld zijn in je geboortegrond vind ik de ‘plekgevoeligheid’. Bij paus Franciscus las ik de mooie gedachte dat je als kind God leert kennen bij concrete rivieren, bossen, bergen. Bij die herinnering kom je later terug.
Dat je geworteld bent, maakt ook bescheiden. Ik kom ergens vandaan. Ik ben Groninger, in die taal ben ik geaard. Als ik een Limburger hoor spreken, ontroert me dat net zo als wanneer ik Ede Staal hoor zingen. Via de taal van de Heimat, je thuis, bereik je elkaars hart. Het is jouw plek, maar dan wel inclusief, zonder uitsluiting van anderen.”
We mogen wel meer van Nederland gaan houden?
“Sommige mensen zijn landschapsdoof. Ik houd erg van natuur. Je kunt de stam en de wortels bestuderen, maar ik ben meer van de blaadjes. Ieders verhaal is herleidbaar tot God en zijn wereld, zoals een blaadje verbonden is aan de boom. Ik houd van die concrete ontmoetingen en beschrijf ze met een knipoog. Ieder mens is onderweg met God, ook als je het zelf niet zo ervaart. Ik struikel over zo veel schoonheid in de schijnbaar gewone dingen.
Mijn bundel is ook een zelfportret. Ik trek naar plekken zoals het Jodenbergje in het Vechtdal bij Hardenberg. Met z’n scheefgezakte zerken is het een mystieke plek. Dit ‘Jeudenbachien’ is een van de mooiste begraafplaatsen van ons land. Het ziet eruit als de rest van een oude beschaving, die droogvalt bij eb.”
En je vertelt dan ook over de pijnlijke geschiedenis van Joden in Nederland.
“Ja, dat is nodig en het is ook gelovig om het hele verhaal aan bod te laten komen. Ook wat schuurt, ook de slavernij en de Jodenvervolging. Nederlander zijn betekent dat we samen in het schip zitten. Ook onze zwarte geschiedenis ligt in het ruim. We zijn een van de rijkste landen van de wereld. Waar hebben wij dat aan verdiend? Wij kunnen ook die zwarte bladzijden aan.”
Rozema houdt van de Romaanse kerken in Groningen. “Maar ook het roodbakstenen kerkje van mijn grootouders in Overschild, gebouwd in 1876, had voor mij een heel bijzondere sfeer. In het piepkleine voorportaal voelde ik al dat er iets bijzonders in de lucht hing. Ik vergaapte me aan de grote ramen en de ijzeren ankers die de scheve muren in bedwang hielden. Er zit schoonheid in Johannes de Heer, dat zijn de carols van de gewone man.”
Je schrijft poëtisch zonder dat het hoogdravend wordt. En je bedenkt nieuwe woorden, zoals ‘herraadselen’.
“Ja, schrijven is een ambacht. Mijn opa maakte meubels en ik timmer stukken voor de krant. Een ambacht is een vorm van aandacht. En aandacht een vorm van liefde.”
Hilbrand Rozema, Tijd is een leeuwerik. Reizen langs de rafelranden van Nederland, uitg. Noordboek.