Kees, je hebt een intensieve reis achter de rug met veel indrukken. Kun je enkele van die indrukken beschrijven?
“We hebben veel plekken bezocht, en al die plekken hebben hun eigen verhaal. Je voelt steeds diepe pijn en trauma. Als je in Tel Aviv op het station aankomt, zie je een hele grote muur met honderden stickers met foto's van alle jonge mensen die op 7 oktober 2023 vermoord of gegijzeld zijn. Je wordt aangekeken door allemaal jonge mensen die nu dood zijn. Als je daar staat, voel je iets van de impact van die gebeurtenissen - de brute moorden, de gijzelingen - op de samenleving.
Een tijdje daarvoor waren we op de Westbank en maakten we mee wat voor systematische kleineringen Palestijnse christenen en moslims dagelijks ondergaan. Bij Tent of Nations, de boerderij van de Palestijnse familie Nassar, zagen we hoe Joodse kolonisten steeds dreigender opschuiven richting hun grondgebied. Je voelt de beklemming en de bedreiging.
We moesten dus steeds pendelen tussen verschillende werkelijkheden. Ik kwam ontregeld terug en dat is goed. We wilden aan den lijve voelen en zien wat de mensen waar we mee verbonden zijn meemaken. Dat leidde ook echt wel tot ontmoetingen met een felle toon. ‘Horen jullie dit wel? En wat doen jullie dan? Laten jullie ons in de steek of zijn jullie bij ons?’”
Wat voor ontmoetingen waren dat bijvoorbeeld?
“Een Palestijnse christen die we ontmoetten, vertelde hoe 18 familieleden in Gaza waren omgekomen. Een neefje, een oom, de oma van zijn vrouw. Geen Hamas-terroristen, maar allemaal willekeurig gedood. Hij zei: spreek je uit. Je kunt hier wel komen, maar als je terug naar Nederland gaat en je zegt hier niets over, wat is dan de zin van deze ontmoeting? Hóór je ons wel?
In Tel Aviv hoorde ik óók harde woorden. Joodse stemmen zeggen: wij hebben zó’n grote aanval gehad op ons bestaan, we hebben een hele generatie verwond geraakt zien worden. En waar is jullie erkenning van ons trauma? Waar is jullie betrokkenheid? Zijn jullie alleen maar over of tegen ons aan het debatteren?”
Wat zeg je als er dat soort harde woorden vallen?
“Dan zeg je niks, je luistert. Ik heb gesprekken gehad waarin ik het liefst een half uur helemaal niets had gezegd. Soms omdat de verhalen over het geweld en de dood te macaber waren en de emoties te hoog. En soms ook omdat je voelt dat de kritiek terecht is. Dat het onrecht ijzersterk is. Je zwijgt omdat je dingen zou willen veranderen, maar tegelijkertijd voelt dat het onrecht aan de winnende hand lijkt. Je zou dan misschien het liefst allerlei toezeggingen doen. Maar je weet ook dat je middelen soms beperkt zijn, en dat je nog moet gaan zoeken naar de middelen die je wél hebt. Daar kun je op dat moment voorzichtig iets over zeggen, maar dat lost de directe angst en de directe dreiging niet op. Je moet je op zo’n moment geen verkeerde heldhaftigheid aanmeten.”
Al die pijn, al die trauma’s, maakt dat niet hopeloos?
“Al deze verhalen kunnen de indruk wekken dat we vooral duistere dofheid zagen en hoorden. Maar ik heb ook geloofsallure gezien. Ik heb in twee weken lessen in moed, vastberadenheid en geloof geleerd, die me vormen.
Een van de plekken die veel indruk op me heeft gemaakt, is het Rossing Center, dat zich met het programma ‘Healing Hatred’ inzet voor dialoog, gerechtigheid en vrede. De leiding van dat instituut bestaat uit een Palestijnse christen, een Joodse vrouw en een moslim. Zij vertelden hoe keihard werken het soms is om elkaar vast te houden. Hoe het zomaar kan gebeuren dat ze elkaar niet begrijpen en elkaar pijn doen. Sarah Bernstein, de Joodse directeur, vertelde hoe ze aan haar Palestijnse collega had gevraagd om zich uit te spreken over 7 oktober. Die Palestijnse collega was daardoor beledigd, omdat ze dacht: ‘Hoe durf je te denken dat ik dit goed vind?’ Maar Sarah kreeg de indruk dat ze zich niet wilde uitspreken. Daardoor ontstond grote spanning en verwijdering. Gaandeweg kwamen ze erachter wat er precies bij hen gebeurde, en konden ze erover praten. Maar het bleef een onderwerp dat grote spanning oproept, en ze nodigden ons uit om die emotie te voelen en te beleven. Tegelijkertijd zeggen ze: ja, het is moeilijk, maar het ís mogelijk om samen te leven. Wij bewijzen het.
In traumasituaties is er vaak geen ruimte voor het trauma van de ander. Omdat het eigen trauma zo ontzettend groot is. Maar de groten kunnen dat wel. Die kunnen het trauma onder ogen zien én verder komen. Ik heb leiderschap gezien. Moedige Joodse én Palestijnse stemmen die zich uitspreken over onrecht én met elkaar verder willen.”
Je gebruikt een aantal keer het woord ‘moed’.
“Ik ben op zoek naar taal die recht doet aan de beleving van de afgelopen weken. ‘Moed’ en ‘hoop’ zijn eigenlijk te vlakke woorden voor wat ik bij veel mensen heb gezien. Het gaat om een sterk verzet tegen alle krachten en machten die willen vergiftigen. Een vastberadenheid om de dingen niet verder stuk te willen laten maken.
We hebben het tijdens de reis veel gehad over het thema ‘complexiteit’. Rabbijn Nathan Lopez Cadozo zei: ‘Simplicity won't hold.’ Je zult complexiteit moeten aangaan, daardoorheen zien te komen, wil je met elkaar verder komen. Simpele ideologische slogans over Palestijnen of Joden, over het land en het samenleven, doen geen recht aan de complexe werkelijkheid. Zowel de Israëli als de Palestijnen hebben een diepe band met het land en met de geschiedenis ervan. De grote opdracht voor iedereen die bij dit conflict betrokken is, is om zo in het land te leven dat de ander veilig is. Vaak zag ik hoe juist geloof een bron en motivatie is om recht, gemeenschap en vreugde met en voor elkaar te zoeken. Je geestelijke bronnen doen ertoe.”
Kun je daar een voorbeeld van geven?
“In zowel christendom, islam als jodendom zitten de aanzetten tot recht. We hebben met rabbijnen gesproken over de Profeten, waarin het bezit van land altijd voorwaardelijk is. Het gaat gepaard met de opdracht om te leven vanuit de geboden. Om recht te doen, om ruimte te geven aan de arme, de weduwe, de wees, de vijand. In de verschillende religieuze bronnen liggen meer aanzetten tot toenadering en menselijkheid dan in ideologisch-politieke stellingnames, zei rabbijn Cardozo. Het gaat dan om de geestelijke betekenis van het land: waarom we hier leven, hoe we met God en met elkaar kunnen leven.”
Binnen de Protestantse Kerk leven hele sterke gevoelens rond de situatie in het Midden-Oosten. Heb je door de reis nieuwe gedachten opgedaan over hoe de kerk zich tot deze situatie zou moeten verhouden?
“In Jeruzalem heb je op de grens tussen Oost- en West-Jeruzalem een bijzonder café, dat gerund wordt door een Joodse vrouw en een Palestijnse vrouw. Mensen ontmoeten elkaar, er wordt allerlei soorten muziek gemaakt. Zij hebben op die plek een ‘brave space’ gecreëerd. Een plek waar alle stemmen zich kunnen uitspreken, in alle heftigheid, maar waar ook wordt gevochten om elkaar vast te houden. Dát zijn de plekken die indruk maken en die toekomst hebben.
Het DNA van de Protestantse Kerk lijkt daar een beetje op. Wij zijn verbonden met het volk Israël, én we zijn verbonden met de Palestijnse kerk, en in die kerk met het Palestijnse volk. Als je dan met elkaar een ‘brave space’ probeert te zijn, de meerstemmigheid probeert vorm te geven, recht en onrecht benoemt in heel die rafelige werkelijkheid, actie onderneemt, bidt en zoekt naar de waarheid van de ander, die je ook kan ontregelen, dan werk je mee aan de opgave om hier samen uit te zien komen. Ik geloof dat dát onze opdracht is, om vanuit dat DNA te spreken. Er zijn ook andere stemmen, met een ander DNA. Maar dit is onze stem.
Ik heb het gevoel dat we het commitment naar de Palestijnse kerk en naar het Joodse volk opnieuw moeten ijken, moeten verdiepen. Dat commitment is er al, het staat in onze kerkorde. Maar we hebben met zowel de Palestijnse kerk als het Joodse volk een geestelijke, historische en existentiële band door Jezus Christus, onze Heer. Dat schept in deze tijden van oorlog en gevaar een verplichting.”
Ondanks de heftige verhalen, lijk je ook bemoedigd door alle ontmoetingen.
“Ik voel me bevoorrecht dat ik in de buurt mocht zijn van al deze moedige mensen. Sarah Bernstein, de Joodse directeur van het Rossing Center, zei tegen ons: ‘Hoop is niet het vertrekpunt, want heel vaak voel ik helemaal geen hoop. Maar hoop is de vrucht van woede en moed. Van de woede over het onrecht dat er is, en van de moed om elke dag weer jezelf te dwingen om het werk van de vrede te doen. Hoop is de vrucht van die twee. Dat is niet iets passiefs, maar iets dat je moet dóen.’
De haat, de vervreemding, het niet in staat zijn om vrede te stichten, dat speelt hier ook. Maar ik heb tijdens deze reis ook de kracht van geloof gezien, de kracht van de kerk. De wil tot vrede, de wil tot recht, de wil tot vreugde. De wil om elkaar vast te houden. Laten we daar ook in Nederland de moed voor opbrengen."
