De twee kenden elkaar uit een kerk die inmiddels niet meer bestaat. Niet omdat het gebouw is afgebroken, maar omdat de gemeenschap zichzelf kwijtraakte. Heilige overtuigingen waren gebotst, met alle onheilige gevolgen van dien. Beide mannen hadden het zinkende schip vroegtijdig verlaten. Teleurgesteld, gefrustreerd en gekwetst.
Uitgedanst
Als hun kerk een dansvloer was, hadden ze allebei jarenlang meegedanst. Ze stonden niet langs de kant maar midden op de vloer, in het zweet. Ze bouwden, organiseerden, inspireerden. De bloeiperiode van die kerk — voor zover je die niet volledig aan God toeschrijft — droeg ook hun handschrift. En toch stonden ze aan het eind buiten. Moe en uitgedanst.
Ze raakten hun geloof niet kwijt, maar wel hun vertrouwen in de kerk, in mensen, en in hoe het blijkbaar kan gaan. De zondagochtenddienst werd verruild voor mountainbiken. De bijbelstudie werd verruild voor een livestream. En in plaats van brood en wijn begon de zondag nu met croissantjes en koffie. Alles om maar niet opnieuw die dansvloer op te hoeven waar ze ooit vol overgave stonden.
Eén van hen heeft inmiddels weer voorzichtig een nieuwe zaal betreden. Een andere gemeente. Langzaam leert hij de muziek weer te vertrouwen. Hij begint weer van de kerk te houden, zei hij. Maar de achterdocht blijft. Alsof hij steeds dicht bij de rand danst. Eén oog op de nooduitgang. Voor het geval dat de muziek weer ineens stopt.
Geen plek voor zwervers
Hun verhalen deden me denken aan een verhaal dat mijn Engelse vriend en schrijfmaat, Paul Field, me ooit vertelde. Hij gaf een schrijfworkshop aan daklozen en verslaafden, in een gebouw recht tegenover een kerk. De gesprekken gingen al snel over geloof. En over die kerk, daar aan de overkant. Een man vertelde dat hij eens naar binnen was gelopen toen hij het orgel hoorde. Hij bleef in de hal staan. Niet omdat hij het niet mooi vond, maar omdat hij dacht dat hij niet paste. Dat hij uit de maat zou lopen. Dat mensen zouden kijken. Hij zat aan de kant en luisterde, alsof hij even wilde voelen of deze muziek ook voor hem bedoeld was.
Toen kwam er een vrouw de kerkzaal uit. En dan verwacht je het bekende draaiboek: een uitnodiging, een stoel, een bak koffie. Maar het ging anders. Ze stuurde hem weg. Dit was geen plek voor zwervers.
Uit boosheid en verdriet schreef Paul later het lied 'House of God'. Over iemand die geen oordeel zocht, maar genade. Over een huis van God dat klonk als muziek, maar geen dansvloer bleek te zijn.
De tekst gaat verder onder de video.
De kerk is zo’n prachtig idee. Een plek waar we iets van het Koninkrijk mogen proeven. Bij elkaar, bij God en bij het kruis. Een gemeenschap rond een God die zelf de zwervers opzocht. Die at met tollenaars, hoeren en mensen die uitgedanst waren.
Want ja, er raken mensen de maat kwijt. Er raken mensen beschadigd. Ze stappen van de dansvloer af en blijven jarenlang langs de muur staan. Met een klein restje geloof in hun zak of, zoals Paul het noemt, ‘a thimbleful (vingerhoedje) of faith’. Genoeg om de muziek nog te horen, te weinig om weer onbevangen mee te dansen.
Welkom?!
Misschien is dat wel de vraag die de kerk – en dan bedoel ik niet de stapel stenen, maar de leden – zich steeds opnieuw mag stellen: zijn wij een plek waar mensen steeds opnieuw durven binnenkomen? Waar uitgedansten mogen bijkomen, waar wie uit de maat loopt niet wordt weggewuifd, maar vastgehouden?
Een kerk waar we tegen zwervers, hoeren, tollenaars, maar ook tegen mijn twee vrienden zeggen: welkom, je bent weer thuis!