Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Abonneer gratis op Petrus magazine

Vijf tradities rondom de doop

Een belangrijk sacrament in de Protestantse Kerk is de doop. Hiermee wordt de dopeling onderdeel van de kerk, van Gods gemeente. Door de tijd heen zijn er verschillende tradities en gewoonten ontstaan. Deze vijf komen je vást bekend voor.

1. Overgieten en onderdompelen

Water is een onmisbaar onderdeel van het ritueel van de doop. Jezus zelf werd ondergedompeld in water door Johannes de Doper. Tijdens het Pinksterfeest waarover Handelingen 2 vertelt, getuigden direct drieduizend mensen van hun bekering en geloof door zich te laten dopen. 

Paulus vergeleek de onderdompeling in water in zijn Romeinenbrief met een begrafenis van de oude mens. De nieuwe mens staat in Christus op uit het watergraf. De apostel Petrus vergeleek de doop met de oudtestamentische zondvloed: Noach en zijn gezin werden door het water heen gered, dopelingen worden óók door het water (heen) gered.

In veel protestantse kerken worden kinderen op heel jonge leeftijd gedoopt. Het wordt niet compleet ondergedompeld, maar het hoofdje van het kind wordt met doopwater overgoten. Het water dat daarvoor wordt gebruikt, is zelf niet bijzonder, maar wordt bijzonder door het ritueel. Oorspronkelijk was het doopwater altijd stromend water, ‘levend’ water. 

Er zijn binnen het christendom verschillende opvattingen over de doop, wat deze betekent en wanneer het ritueel zou moeten plaatsvinden. De kinderdoop kan bijvoorbeeld worden gezien als vervanger van de oudtestamentische besnijdenis, waarmee het verbond tussen het volk Israël (nu alle gelovigen) en God zichtbaar wordt.

2. Het doopvont

In een protestants kerkgebouw bevindt het doopvont zich meestal in het liturgisch centrum, voorin de kerk, nabij de preekstoel. Dat staat daar altijd, ook als er niet gedoopt wordt. De gemeente wordt er daardoor aan herinnerd dat zij een gemeenschap van gedoopte mensen vormt. In de Rooms-Katholieke Kerk is er vaak een aparte doopkapel in het gebouw aanwezig, waar kinderen het doopsel ontvangen. 

Het woord ‘vont’ is afgeleid van een Latijns woord dat ‘bron’ betekent. Het verwijst naar God als de bron van het geloof. Hoe ziet zo’n doopvont eruit? Het kan een standaard zijn met daarop een schaal waar het doopwater in gaat, of een vast bassin gemaakt van steen, hout, glas of metaal. Vaak heeft het doopvont een ronde vorm of is het een achthoekig model. Die laatste vorm staat symbool voor de achtste dag, het moment waarop joodse jongetjes besneden worden. Tegelijkertijd staat deze vorm voor een nieuwe schepping. Op het doopvont staan soms Bijbelse afbeeldingen: van waterverhalen bijvoorbeeld, of van het paradijs.

3. Een doopjurk

Ouders kunnen ervoor kiezen om het kindje dat gedoopt wordt een doopjurk aan te trekken. Waar komt die traditie vandaan? In de eerste christelijke kerken kregen de mensen die gedoopt werden na hun doop een wit kleed aan. Dat witte kleed symboliseerde een nieuw begin, een schone lei. Er werd toen meestal met Pasen gedoopt en de dopelingen bleven dat kleed dragen tot de daaropvolgende zondag. In de rooms-katholieke traditie heet die zondag na Pasen Quasimodo geniti, wat betekent: ‘als pasgeboren kinderen’. 

De doopjurk refereert aan dat witte kleed, aan zuiverheid en onschuld. Vóór 1800 droegen baby’s al wel eens doopkleding, maar in allerlei kleuren: rood, paars, blauw of zwart. Die kleuren verwezen bijvoorbeeld naar het bloed van Christus, naar boete, bezinning of naar de heilige moeder Maria. Vanaf de 19e eeuw werd het mode je kind in een witte doopjurk te laten dopen. Doopjurken werden en worden vaak zorgvuldig bewaard en meerdere malen gebruikt door baby’s uit dezelfde familie.

4. De doopnaam

Het eerste wat een mens krijgt is een naam. Wie zou iemand zijn als zijn naam niet genoemd zou worden? De doop begint dan ook vaak met het noemen van de naam door de voorganger of de ouders. Bij die naam zal het kind voortaan genoemd worden door mensen en door God. 

Ooit was de doop het moment waarop een kind officieel haar of zijn naam kreeg. Kinderen werden toen doorgaans al na een paar dagen gedoopt, vervolgens werd hun naam bijgeschreven in het doopregister van de kerk. Je doopnaam was toen ook direct je roepnaam. Pas vanaf ongeveer 1750 raakte dit gescheiden: toen werd het namelijk de gewoonte om een kind meer doopnamen te geven. De roepnaam is vaak van deze namen afgeleid. 

Nadat de doopnaam van het kind is uitgesproken, volgt de handeling van het dopen. Hierin spreekt de voorganger uit dat hij doopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Dit verwijst naar het slot van de Bergrede, waarin Jezus zijn discipelen de opdracht geeft: “Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest (…).”

5. De doopkaars en doopkaart

In veel protestantse gemeenten krijgen dopelingen na hun doop een doopkaars mee, ontstoken aan het licht van de paaskaars. Veel mensen steken die kaars jaarlijks weer aan op de doopdag van het kind. De paaskaars brandt in iedere kerkdienst als een symbool voor het licht van Christus, waar de dopeling ook in delen mag. 

De doopkaars-traditie is erg oud. Al in de vierde eeuw wordt ze genoemd in de doopliturgie van kerkvader Ambrosius. Daar krijgen pas-gedoopten een kaars die ze aansteken met de paaskaars, waarna ze in processie van het doopvont naar het altaar lopen.

Net als de kaars vormt ook de doopkaart een herinnering aan de doop. In de meeste protestantse gemeenten wordt deze kaart overhandigd als een soort ‘bewijs’ tijdens de doopdienst. Op de kaart staan de naam van de dopeling, de datum en de kerk waar de feestelijke gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

Elke week het beste van Petrus online

Ontvang de wekelijkse nieuwsbrief

Was deze informatie zinvol?
We hebben je feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)