Het was een opvallend grafiekje in het meest recente rapport ‘God in Nederland’: terwijl lang gold dat elke nieuwe generatie minder gelovig werd, liet de lijn opeens een knik omhoog zien. Van de generatie millennials (1986-2000) noemt 22 procent zichzelf gelovig, van de generatie na hen (gen Z, 2001-2007) is dat verrassend genoeg 27 procent. Het is een opvallende breuk met eerdere onderzoeken. Waar jongere generaties eerder steeds minder gelovig werden, zijn gen Z’ers in dit onderzoek meer dan de generatie vóór hen positief over kerk en geloof.
Nieuwe openheid
Ronelle Sonnenberg, universitair hoofddocent aan de Protestantse Theologische Universiteit en gespecialiseerd in jeugdwerk, geeft aan dat de cijfers uit het onderzoek aansluiten bij eerdere onderzoeken. “CBS-cijfers uit 2024 laten zien dat het aandeel mensen dat aangeeft bij een kerkelijke of levensbeschouwelijke groepering te horen, niet verder lijkt te dalen. En onderzoeken uit andere landen signaleren ook een nieuwe openheid onder jonge mensen voor religie. We hoorden dat ook uit verhalen van lokale priesters en dominees, zowel in Nederland als in het buitenland. Bovendien zagen we de afgelopen twee jaar een behoorlijke toename van het aantal theologiestudenten. De cijfers uit ‘God in Nederland’ over gen Z passen in dat beeld.”
Waar komt die hernieuwde openheid vandaan? Om dat te kunnen duiden, is meer onderzoek nodig, zegt Sonnenberg. “Sociale media spelen een rol: via platforms als Instagram en TikTok worden veel persoonlijke geloofsverhalen gedeeld. Ook de sociaal-economische positie van jonge mensen lijkt relevant: het tekort aan woningen, de ervaring van een zekere bestaansonzekerheid. En jongeren lijken wat conservatiever te worden, dat blijkt ook weer uit de resultaten van ‘God in Nederland’. De vraag is hoe al die aspecten met elkaar samenhangen. Daar willen we dit jaar onderzoek naar doen, samen met de Christelijke Hogeschool Ede, de Vrije Universiteit en de Radboud Universiteit.”
‘Veel jongeren ontdekken dat ze op een bepaalde manier verdwaald zijn’
Tot de resultaten van dat onderzoek er zijn, is ze bewust voorzichtig in haar uitspraken. “Het is een web waarin alles met alles samenhangt. Staan jonge mensen meer open voor religie omdat ze conservatiever worden? Of komen beide zaken uit onderliggende motieven voort? En wat voor theologische vragen roept dit allemaal weer op? Er is nog heel veel wat we niet weten.”
Op zoek naar richting
Dick Wolters, pionier in de Noorderkerk in Amsterdam, kwam de afgelopen tijd met verschillende twintigers in contact die geïnteresseerd zijn in geloof en kerk. “Het zijn twintigers die volstrekt seculier zijn opgegroeid en van huis uit niets hebben meegekregen over God, geloof, de Bijbel. Maar om verschillende redenen hebben ze daar nu wel belangstelling voor. De een nog aarzelend, de ander komt al met de vraag om gedoopt te worden.”
Het is vooral het verlangen naar richting in het leven dat maakt dat jonge mensen zich openstellen voor God en geloof, ziet hij. “Veel jongeren lopen aan tegen de grote problemen in deze wereld, of tegen de hoge druk die op hen wordt gelegd, of tegen een leeg leven waarin ze de schijn ophouden dat ze gelukkig zijn. Ze ontdekken dat ze op een bepaalde manier verdwaald zijn. Ze weten niet waar het met de wereld en met henzelf naartoe gaat. Het geloof in God geeft nieuwe richting aan hun bestaan.”
De predikant had een bijzonder gesprek met een jonge man die gedoopt wilde worden. “Een gesprek over vastlopen en nieuwe hoop zien gloren. Een gesprek over God die verrassend zijn leven binnen was gekomen en alles – positief – op zijn kop had gezet. Want als je jezelf niet kunt redden, dan moet je het aandurven om hulp te vragen.”
Niet eenduidig
De ervaring van Wolters staat niet op zichzelf. In een recente inventarisatie door de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk blijkt dat veel studentenpastors de toegenomen belangstelling onder jonge mensen herkennen. Meer dan de helft geeft aan dat ze een lichte of zelfs grote groei zien als het gaat om interesse in het christelijk geloof.
‘Het gaat minder over waarheid en meer over ervaringen en verbindingen’
Maar het beeld in lokale gemeenten van de Protestantse Kerk is minder eenduidig. De helft van de gemeenten geeft aan dat het aandeel twintigers bij hen gelijk blijft, 20 procent ziet een zekere groei, terwijl 32 procent eerder een afname ervaart.
Dat betekent niet per se dat twintigers massaal afhaken, denkt Iris Veerbeek, die vanuit het kennisplatform Jonge Generaties betrokken was bij de inventarisatie. “Het gaat ook vaak om jongeren die naar de stad vertrekken voor een studie. Tegelijk zien we dat lokale kerken en twintigers niet altijd goed op elkaar weten aan te sluiten. Aan de ene kant kun je je afvragen: staan lokale kerken wel echt open voor jonge mensen? Maar net zo goed is de vraag: staan jonge mensen die openstaan voor geloof, ook open voor de kerk?”
Tegenstrijdige behoeften
Dat laatste is niet vanzelfsprekend, aldus Veerbeek. “Uit ander onderzoek weten we dat er bij deze generatie best veel spanning bestaat tussen verschillende behoeften. Aan de ene kant is er behoefte aan gemeenschap, maar aan de andere kant vinden jonge mensen het moeilijk om commitment aan te gaan. En aan de ene kant is er behoefte aan richtlijnen voor het leven, maar aan de andere kant verlangen jongeren naar autonomie en het maken van eigen keuzes.”
Ook zijn niet alle kerken even alert op nieuwkomers, ziet Veerbeek. “Ik denk dat een belangrijke vraag is: hoe kun je als kerk openstaan voor nieuwe mensen? Zodat je hen enerzijds meeneemt in je eigen traditie, maar je tegelijkertijd laat verrassen door wat zij in te brengen hebben of aangeven nodig te hebben. Vanuit de dienstenorganisatie brengen we op dit moment in kaart welke ‘best practices’ er zijn, zodat we die ervaring breder beschikbaar kunnen maken voor gemeenten.”
‘We mogen echt wel vieren dat er nieuwe openheid is voor geloof’
Uit de inventarisatie onder gemeenten blijkt dat twintigers vooral op zoek lijken naar een antwoord op de vraag: ‘Wat is een goede manier van leven?’ Ronelle Sonnenberg herkent die vraag. “Geloof gaat voor jonge mensen van nu minder over het zoeken naar waarheid, en meer over het zoeken naar ervaringen en verbindingen. Een belangrijke vraag is: hoe betrek ik mijn geloof op mijn alledaagse leven? Op die vraag zouden kerken misschien nog wel meer kunnen inspelen.”
Uitgesproken profiel
Sonnenberg benadrukt dat gemeenten die niets merken van een opleving, niet per se iets verkeerd doen. “Naast demografische factoren die meespelen, zien we ook dat jonge mensen vaker een voorkeur hebben voor kerken met een uitgesprokener, vaak evangelicaal profiel. Niet elke gemeente hoeft een stadskerk met zo’n uitgesproken profiel te zijn. Als dorpskerk die veel sociale cohesie biedt, heb je een eigen kracht.”
Tegelijkertijd ziet ze dat veel gemeenten de berichten over nieuwe belangstelling voor geloof als bemoedigend ervaren. “We onderschatten soms welke diepe sporen er zijn getrokken door de decennialange framing van verval, terugloop en secularisatie. Mensen vragen zich af: gaat straks het licht uit in het kerkgebouw waar ik zo veel heb beleefd? Of: hoe vinden mijn kinderen en kleinkinderen houvast en oriëntatie in dit bestaan, als ze niet meer geloven? Of zelfs: wat betekent dat voor hun zielenheil? Die beleving snijdt echt diep. Dan kan het hoopvol zijn dat er bij een jonge generatie nieuwe openheid is voor geloof. Dat mogen we ook echt wel vieren.”
Geloven in de oogst
Dat laatste onderstreept ook Trix Vahl, die als aankomend predikant af en toe een beetje moedeloos wordt van de gemiddelde leeftijd in haar gemeente. ‘Wie weet ga ik nooit bij een winning team horen’, schrijft ze in een online column voor Petrus. ‘En blijven ‘succesverhalen’ mij onbekend hier in het Hoge Noorden. Wat dan? Hou ik dan vol? Laatst stuitte ik op het gedicht ‘De ploeger’ van de dichter Adriaan Roland Holst. Hij schrijft:
Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in den oogst geloven
waarvoor ik dien.
De woorden raakten me. Ik weet niet of ik geroepen ben om te ploegen of te zaaien. Of dat ik mee mag doen in het oogstseizoen. Maar één ding is zeker: zaaier en oogster, samen vieren ze feest om de oogst.’

