Vroeger wist ik precies hoe ik de opvoeding aan zou pakken. Mijn kinderen zouden uitermate voorkomende en voorbeeldige wezentjes worden. Als ik hun wat zou vragen, dan zouden ze zonder aarzelen of dreinen mij gehoorzamen. Voor mij geen scènes van spartelende en krijsende kinderen in de supermarkt. Ja, dat opvoeden, dat zou ik wel even doen.
Ook wat betreft de geloofsopvoeding had ik hemelhoge verwachtingen. Vooral samen zingen leek me het einde. Ik zag het al helemaal voor me. Het zouden kindertjes worden met hemelheldere stemmetjes, die de hele dag door psalmen en Elly & Rikkert-liedjes zingen. ‘Mama, zullen we samen een loflied zingen?’ Bij het idee alleen al smolt ik weg.
Sterke willetjes
Hoe anders kan het leven lopen. Ik ben gezegend met drie losgeslagen, bijzonder drukke en doorgaans zeer ongehoorzame mannen. Ze zijn ‘strong-willed’, zullen we maar zeggen. Ik vermoed dat ze dat van de vader hebben. En ook van dat zingen komt weinig terecht. De praktijk blijkt weerbarstig. Elke ochtend beginnen we, met een bord dampende havermoutpap voor onze neus, met een lied. Nou ja, we? De vader en ik. De rest playbackt of is aan het ‘grunten’ en stoot diepe grommende geluiden uit. En de derde loopt de havermout vakkundig uit te smeren over z’n pyjamatrui.
Soms, even
Maar soms, heel soms, is er harmonie. Dan versmelten de tenor, de sopraan en de kinderstemmen zich tot een tedere lofzang. Onze Vader in de hemel, heilig is Uw grote naam. Laat Uw nieuwe wereld komen, laat U wil worden gedaan. Even, heel even, is de hemel dichtbij. Totdat de havermout me weer om de oren vliegt. De nieuwe wereld laat duidelijk nog op zich wachten, maar even lichtte ze op. Daar, tussen de havermout.