Doorgaan naar hoofdinhoud

Alle dagen: ‘Ik heb geleerd om de tijd te nemen’

Als hartpatiënt moet Ben van Duin (74) eigenlijk rustig aan doen, maar stilzitten wil hij niet. Hij bezoekt jongeren in de jeugdgevangenis en werkt als vrijwilliger in het hospice. ‘Ik vind het normaal om iets voor een ander te doen.’

“Ik ben geboren op 11 februari 1952 in Rotterdam, daar heb ik tot mijn 27e gewoond. We waren met vijf kinderen, ik was de jongste. Ik ben de enige die nog leeft. Mijn oudste broer was 16 jaar ouder. We hadden ook nog een zusje, geboren in 1949. Zij overleed al voordat ik geboren werd. 

Als kind moest ik altijd stil zijn, want mijn vader was hartpatiënt. Hij kon niet tegen drukte. Ik ben zelfs een jaar uit huis geweest, omdat het thuis anders te veel werd. Hij heeft meerdere hartinfarcten gehad, soms lag hij daarna zes weken plat. Dat moest in die tijd. Ik herinner me dat we een keer op straat liepen en hij een hartinfarct kreeg. Toen ik 17 was, overleed hij aan een hartinfarct. 

Ik besefte pas veel later wat dit allemaal heeft betekend. Ik heb een goede jeugd gehad maar eigenlijk ook niet, want ik miste mijn vader. Hij wás er wel, maar ik kon niet echt contact met hem hebben. Toen ik zelf hartpatiënt werd, heb ik hierover gepraat met een psycholoog.” 

 

Lopend naar de dokter 

“Het was niet de vraag óf ik hartpatiënt zou worden, maar wanneer – mijn vader, moeder en al m’n broers waren hartpatiënt. In 2005 kreeg ik twee hartinfarcten, op 15 en 16 december. Ik zat op de fiets en ik voelde druk op mijn borst die doortrok naar mijn keel. Mijn handen tintelden. Ik ben lopend naar de dokter gegaan. Die stuurde me naar het ziekenhuis. Daar kreeg ik mijn eerste infarct.” 

“Ik ben in 1977 getrouwd. We woonden eerst in een heel kleine bovenwoning in Rotterdam, met een gedeelde zolder. Kort na ons huwelijk zijn we naar Spijkenisse verhuisd. We kregen vier zoons en een dochter, inmiddels heb ik vier kleinkinderen. Een van mijn zoons is gepromoveerd op hart- en vaatziekten. Mijn hartinfarcten waren voor hem de aanleiding om hier onderzoek naar te gaan doen. 

 Het was niet de vraag óf ik hartpatiënt zou worden, maar wanneer 

Ik heb gewerkt bij Eneco, vroeger het Gemeentelijk Energie Bedrijf Rotterdam. Ik begon er al jong als leerling. Eén dag in de week ging ik naar school, drie avonden in de week deed ik de mts. Dat was pittig, maar daarna kon ik planning en control doen op kantoor. Het was handig dat ik praktijkervaring had. Als er iets technisch besproken werd, wist ik precies waar het over ging. Ik heb altijd met plezier gewerkt, maar in 2012 ben ik met pensioen gegaan. Ik was net 60. Ik had ook een herseninfarct gekregen, dus vond ik het wel genoeg geweest.” 

 

De Tienervloer 

“Ik ben altijd actief geweest in de kerk. In Spijkenisse raakte ik betrokken bij de jongeren: jeugdmusicals, een theatergroep, de basiscatechese en de Tienervloer, een gespreksgroep tijdens de dienst voor jongeren van 12 tot 18 jaar. Als het bijvoorbeeld over de Tien Geboden ging, vroeg ik: ‘Wie heeft er weleens iemand doodgeslagen?’ Niemand natuurlijk. ‘Ik wel,’ zei ik dan, ‘een mug.’ Dat mocht, vonden ze, want muggen zijn irritant. En een vogeltje? Dat mocht niet. ‘En wat als jij irritant doet, moet ik jou dan ook doodslaan?’ Dat vonden ze heel apart natuurlijk, maar zo kregen we een gesprek. De gespreksgroepen zijn er niet meer, want er zitten geen jongeren meer in de kerk. Sommige jongeren van toen komen nog af en toe bij mij langs.” 

“Ik bezoek als vrijwilliger de Hartelborgt, de jeugdgevangenis in Spijkenisse. Je komt daar om een praatje te maken of een spelletje te doen. Er zitten jongens van 12 tot 21 jaar, bijvoorbeeld voor geweldpleging, inbraak of moord. Wij weten nooit wat ze gedaan hebben. De ene keer heb je een leuk gesprek, de andere keer lukt het niet om contact te krijgen. Dat geeft niet, wij zijn daar voor hen, zij zijn er niet voor ons. Ze ervaren het positief, weet ik. Bij ons kunnen ze vrijuit praten. Als je vertelt waarom je er bent, vragen ze: ‘Wat krijg je ervoor?’ Ze vinden het ongelooflijk dat je ‘voor niets’ komt.” 

  Het is fijn om contact te hebben met anderen’ 

 

Mooi werk 

“Na mijn pensioen ben ik ook als vrijwilliger in het hospice gaan werken, na een opleiding van zes avonden. We doen alles, behalve medische handelingen – mensen helpen, koffie brengen, koken, mensen op het toilet helpen. Het is mooi werk, ik vind vooral het contact fijn. Soms willen mensen graag iets vertellen, ik heb geleerd om daar de tijd voor te nemen. 

Er overlijden zo’n tachtig mensen per jaar in het hospice. Dat doet wat met je, maar je bent niet tachtig keer verdrietig. Vorig jaar is m’n laatste broer overleden, waar ik veel contact mee had. Daar was ik echt kapot van.” 

“In 2025 heb ik een lintje gekregen van de burgemeester. Ik ben nu Lid in de Orde van Oranje-Nassau. Mijn dochter en jongste zoon hadden me aangedragen en het hospice, de kerk en de gevangenis hadden aanbevelingsbrieven gestuurd. Het was heel bijzonder. Mijn kinderen hadden een smoes bedacht, ik wist het pas een kwartier van tevoren. 

Ik vind het normaal om iets voor een ander te doen. Ik doe het niet omdat het van mijn geloof moet. Ik vind het vooral apart dat er mensen zijn die tijd hebben en niets voor een ander doen. Het is fijn om contact te hebben met anderen. Als ik bijvoorbeeld niet naar het hospice zou gaan, zou ik misschien op een dag alleen ‘goeiemorgen’ zeggen tegen de caissière. Het doet mezelf dus ook goed.” 

Ben je al gratis Petrus-abonnee?

Abonneer je gratis op het inspiratiemagazine van de Protestantse Kerk

Lees meer

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)