Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Abonneer je op Petrus Magazine

'Jozef nam het lichaam mee, wikkelde het in zuiver linnen en legde het in het nieuwe rotsgraf dat hij voor zichzelf had laten uithouwen’ Matteüs 27: 59-60

Jozef van Arimathea stelt zijn graf ter beschikking voor Jezus. In de Matthaüs-Passion klinkt de aria: ‘Ik wil mijn Jezus zelf begraven’. De vrouwen blijven in de buurt. Zo worden de doden met zorg omringd, ook Jezus.

De doden begraven komt niet voor in het Bijbelse rijtje van werken der barmhartigheid. Dit zevende barmhartige werk is toegevoegd in een tijd dat christenen de vele doden, gestorven aan de pest, begroeven. Ze lieten zich niet afschrikken door de dood, maar gaven de doden de laatste eer.

De barmhartigheid van God spoort ook ons aan om onze doden met zorg, aandacht, woorden ter gedachtenis en betekenisvolle rituelen te begraven. Daarna wordt het stil. We zetten ons in tranen neer en zien uit naar de paasmorgen.

Zing of lees Lied 590: Nu valt de nacht.


Nu valt de nacht. Het is volbracht:
de Heer heeft heel zijn leven
voor het menselijk geslacht
in Gods hand gegeven.

De wereld gaf
Hem slechts een graf,
zijn wonen was Hem zwerven;
al zijn onschuld werd Hem straf
en zijn leven sterven.

Hoe slaapt Gij nu,
die men zo ruw
aan ’t kruishout heeft gehangen.
Starre rotsen houden U,
rots des heils, gevangen.

’t Is goed, o Heer,
Gij hoeft de eer
van God niet meer te staven.
Leggen wij ons bij U neer,
in uw dood begraven.

Hoe wonderlijk,
uitzonderlijk
een sabbat is gekomen:
eens voor al heeft Hij het juk
van ons afgenomen.

Beluister ook de aria ‘Ich will Jesum selbst begraben’:

Dagelijkse inspiratie voor de 40-dagentijd

Iedere ochtend in je inbox