Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Abonneer je op Petrus Magazine

De zieken verzorgen: een Chassidische legende

In een Joods dorpje in Polen woonde eens een bijzondere rabbi. Hij kon heel goed uitleg geven van de Thora. Maar hij was niet alleen een goede leraar, hij was ook erg vriendelijk en wijs. Als de mensen moeilijkheden hadden, gaf hij hun goede raad. De inwoners van het dorp hielden veel van hem. Sommigen vonden zelfs dat hij een wonderrabbi was. Ze zeiden: ‘Elke morgen, vóór het gebed, stijgt onze rabbi op naar de hemel’.

Hoe kwamen ze erop om zoiets te zeggen? Op sommige dagen, de dagen vóór het Joodse Nieuwjaar en op de dagen tussen Nieuwjaar en Grote Verzoendag werden heel vroeg in de morgen speciale gebeden gezegd. Het vreemde was dat de rabbi juist op die ochtenden, voordat het tijd was voor het gebed, verdwenen was. ‘Waar is de rabbi?’ vroeg iedereen. Hij was niet thuis, niet buiten, niet in de synagoge en niet in het leerhuis. Dat de rabbi wel op datzelfde tijdstip de gebeden uitsprak, dat stond voor iedereen vast. Een leerling van de rabbi zei tegen een vriend: ‘Ik denk dat onze rabbi voor het gebed opstijgt naar de hemel. Daar knielt hij neer voor de troon van God om voor ons te bidden.’ ‘Ja,’ zei zijn vriend, ‘dat denk ik ook.’ En hij vertelde het aan zijn ouders. Die vertelden het aan hun buren. En zo vertelde de een het aan de ander als een geheim verder. Op een dag kwam er een nieuwe bewoner in het dorp. Hij hoorde het verhaal over de rabbi, maar hij geloofde het niet. ‘Heeft iemand het wel eens gezien?’ vroeg hij. Nee, niemand had het gezien. ‘Heeft de rabbi het jullie verteld?’ Nee, de rabbi had het niet verteld, hij was een bescheiden man. Domme mensen hier, dacht de nieuweling. Weet je wat, ik ga morgenvroeg kijken wat de rabbi tijdens het ochtendgebed uitvoert, en dan help ik hen uit de droom. 

Het was nog donker toen hij door de stille straten van het dorp liep. Iedereen sliep nog. Alleen in het huis van de rabbi brandde licht. Hij verstopte zich achter een paar struiken.

Even later kwam de rabbi naar buiten, maar hij was nauwelijks te herkennen. Hij zag er uit als een houthakker, met een bijl in de hand en een lege zak over de schouder. Zo liep hij naar het bos achter het dorp.

Op een afstand volgde de nieuwe dorpsbewoner, zich steeds verschuilend achter bomen en struiken. Bij het licht van de maan zag hij dat de rabbi bij een kleine boom stilhield. Met zijn bijl hakte hij het boompje om en maakte er kleine stukken brandhout van. Met de zak vol hout op zijn rug liep hij terug naar het dorp. Daar ging hij een smal steegje in.

De nieuweling sloop achter hem aan, maar toen hij bij de steeg kwam, was de rabbi nergens meer te bekennen. Het was aardedonker. Hij schuifelde tastend het steegje in, maar zag niets. Totdat er in een oud vervallen huisje een lichtje werd aangestoken. Zou de rabbi daar binnen gegaan zijn? De nieuweling sloop naar het huisje en gluurde voorzichtig door het raam. In een armoedig kamertje stond een bed met daarop een oude vrouw die er ziek en zwak uitzag. De rabbi lag op zijn knieën voor de kachel. Terwijl hij hout in de kachel deed, sprak hij het eerste deel van de voorgeschreven gebeden uit. Bij het aansteken van het hout zei hij het tweede deel van de gebeden. En terwijl het vuur opvlamde, zong hij het derde deel.

Ontroerd keek de nieuweling toe en fluisterend sprak hij met de rabbi de gebeden uit. Daarna draaide hij zich en liep beschaamd terug naar zijn eigen huis. Zijn vrouw zat op hem te wachten. ‘En?’ vroeg ze nieuwsgierig. ‘Wat heb je gezien? Is het waar dat de rabbi vóór het gebed opstijgt naar de hemel?’ ‘Ja’, zei de nieuwe dorpeling zacht, ‘ja, hij is heel dicht bij de hemel.’

Naar een chassidische legende.

Bron: Baukje Offringa, De gouden sleutel, verhalen bij thema’s uit de bijbel. Uitg. Meinema 1991.