Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Abonneer je op Petrus Magazine

Brief aan mijn kleinzoon: op ontdekkingsreis door het leven

Jos van Oord is sinds vijf maanden grootvader van kleinzoon Abel. In een reeks brieven aan Abel mijmert hij over het geschenk van opa worden, de wereld waarin Abel terechtkomt en het leven dat zijn kleinzoon te wachten staat. Vandaag de zesde en laatste brief.

Dag lieve Abel,

Je bent een vrolijk ventje, maar niet altijd. Laatst moest je hevig huilen toen ik op bezoek was. Je moeder gaf het advies even wat door het huis te lopen. En dat hielp. Even door het raam kijken, naar dat fascinerende zoemende en grommende koffiezetapparaat en naar alle schatten in de grote kast in de kamer.

Mijn oog viel op een grote ronde steen in de vorm van een slak die daarin staat te pronken. Vast door je vader gevonden tijdens een van onze vakanties. Het zijn geen gewone stenen, maar resten van planten en dieren van soms miljarden jaren oud die bewaard zijn gebleven in gesteente. Fossielen heten ze. Ik weet nog dat we op het strand van Noord-Frankrijk liepen en daar overal kleine fossielen vonden. En nog niet zo lang geleden liep ik met je vader door de Negev-woestijn van Israël en zagen daar een muur van steen met allemaal ammonieten, sommige van indrukwekkende afmetingen. Fascinerend om te zien! Je vader zal er later vast weleens meer over vertellen en met jou naar dat strand gaan om samen die stenen te zoeken.

De aarde is dus oud, heel oud. Miljarden jaren. En jij en ik maken daar maar een klein stukje van mee. Zeventig, soms tachtig, heel soms honderd jaar. We zijn dus een klein stipje op die lange lijn van de geschiedenis van de aarde. En wij maar denken dat we belangrijk zijn, Abel. En dat we het centrum van de aarde zijn. Nee dus. We komen maar net kijken in dat lange proces van het leven op aarde. Om het eens gek te zeggen: de mens heeft er lang over gedaan om mens te worden. Dat lees ik ook in dat oude scheppingslied uit de Bijbel: eerst ontstaat de dag en de nacht, dan de aarde en de zee, vervolgens de maan, de sterren en de zon. En dan de vissen en de vogels. En ook de landdieren. En bijna aan het eind - eindelijk! - de mens. Om duidelijk te maken: ken je plek. Wees bescheiden.

Maar dan mogen we er ook echt zijn, te midden van alles wat leeft.  En dan - dat lees ik weer in het scheppingslied - is het de mens die wordt aangesproken. We zijn de eerste wezens die dat meemaken, die op onze naam reageren, die kunnen nadenken. Die kunnen praten, lezen en schrijven. Muziek maken. Dingen die jij ook allemaal gaat leren. Ook jij hebt bij je geboorte van alles meegekregen: een hoofd om te denken, een hart om te voelen, handen om te doen. 

Als ik terugkijk op mijn leven, denk ik dat ik het wel geprobeerd heb - te denken, te filosoferen, te voelen, en te doen wat mijn hand vond om te doen. Soms lukte dat goed, soms bakte ik er niets van. Het meest spannend vond ik de vraag naar de zin van alles. Waarom we er zijn. Wie of wat God is. Om over dat geheim van het leven na te denken en daar gevoelens bij te hebben en - misschien nog wel het belangrijkste - om God te doen: goed te doen! 

Nou Abel, jij krijgt daar ook een leven lang de tijd voor. Ik wens je een mooie ontdekkingsreis toe door het leven. En ik geef je heel graag een bijzondere zegen mee, eentje die voor pelgrims werd uitgesproken voordat ze op reis gingen: 

Voor de weg wens ik je toe
dat de weg je tegemoet komt,
de wind steeds in je rug is,
de zon je gezicht verwarmt
en zachte buien je velden beregenen.
En dat God, tot ons weerzien,
je bewaart in de palm van zijn hand.

---

Lees ook: